De palmen van Suriname : beschouwd in betrekking tot derzelver kruidkundige kenmerken, kultuur en nut voor nijverheid en handel / door W.H. de Vriese.
- Vriese, W. H. de (Willem Hendrik), 1806-1862.
- Date:
- [1848]
Licence: Public Domain Mark
Credit: De palmen van Suriname : beschouwd in betrekking tot derzelver kruidkundige kenmerken, kultuur en nut voor nijverheid en handel / door W.H. de Vriese. Source: Wellcome Collection.
28/32 (page 22)
![bijna ongedoornd. De steenvruchten zijn met eene oranjekleurige op¬ perhuid bedekt, en nabij de schaal met overlangs loopende vezels voorzien ]). Nabij de stad Paramaribo, in de bosschen en op de velden is deze palmsoort zeer algemeen. De vruchten worden ais eene lekkernij dooi¬ de inlanders gegeten. (Merb. Splitg. 60.) Bij von martius (t. a. pl. 70) wordt van slechts ééne soort van dit geslacht, murumuru, opgegeven dat de noten eetbaar zijn. Splitgerber vond deze soort bloeijende in Febr.—Maart 1838. De Leydsche Kruidtuin ontving voorleden jaar van den Heer Mr. h. c. FocKE enkele kiemende noten van de Awarra, die welig opgroeijen. 13. Ongedoornden. Inermes. XII. Elaeis. 15. 0L1E-PALMIET VAN DE KUST VAN GUINEA. ELAEIS GUINEENSIS Luw. Mart. Deze palm is algemeen in de tuinen (waarschijnlijk reeds lang voor de eerste aanteekeningen van Loddiges, 1836). Hij schijnt geen inboor¬ ling te zijn van het vasteland van Amerika en alzoo ook in Suriname ingevoerd te wezen. De Heer splitgerber erkende dien aldaar in Mei 1838 (zie Herb. n°. 467) als niet zeldzaam voorkomende in de nabijheid van Paramaribo, hebbende stammen van 10—20 voeten hoog. In Bra¬ zilië wordt deze palm Cocco de denté geheeten. Vrij algemeen stelt men dat de Ethiopiërs denzelven van Guinea derwaarts overbragten. Op de Antibes wordt hij almede gekultiveerd en daarin is een grond te meer om dit gewas niet als eigen aan de Nieuwe Wereld te achten. Het bemint opene en zanderige, min vochtige plaatsen in de nabijheid der woningen. Het komt veelal voor in tuinen en plantagiën, doch niet in de oorspronkelijke bosschen. In Guinea daarentegen schijnt het alge- 1) Caudex 10—25' altus, ereetus, cylindrieus, 5—7 crassus, annulis 7—10 a se invieem distanübus, basin versus subinermis, superne in interstitiis annulorum aculeis densis, atris, rütidis , maximis, 5 Ion gis, inaecpralibus , erectis vel recurvis horridus. Frondes 10—12'; petioli a basi ad primas pinnas usque Tere 4'. Rhaehides aculeaüssimae, versus apicem subiner- mes, pinnis subtus hand argenteo-albis. Drupae aurantiarae, ad putamen fibris longitudinalibus pereursae, edules. i](https://iiif.wellcomecollection.org/image/b31970874_0028.jp2/full/800%2C/0/default.jpg)